By using this site, you agree that we're using cookies to save preferences and for telemetry data such as Google Analytics.

Indicative - Aantonende wijs

Present Perfect
Past Perfect
Future Perfect
ik juich
jij juicht
hij juicht
wij juichen
jullie juichen
zij juichen
ik heb gejuicht
jij hebt gejuicht
hij heeft gejuicht
wij hebben gejuicht
jullie hebben gejuicht
zij hebben gejuicht
ik juichte
jij juichte
hij juichte
wij juichten
jullie juichten
zij juichten
ik had gejuicht
jij had gejuicht
hij had gejuicht
wij hadden gejuicht
jullie hadden gejuicht
zij hadden gejuicht
ik zal juichen
jij zult juichen
hij zal juichen
wij zullen juichen
jullie zullen juichen
zij zullen juichen
ik zal gejuicht hebben
jij zult gejuicht hebben
hij zal gejuicht hebben
wij zullen gejuicht hebben
jullie zullen gejuicht hebben
zij zullen gejuicht hebben


ik zou juichen
jij zou juichen
hij zou juichen
wij zouden juichen
jullie zouden juichen
zij zouden juichen
ik zou gejuicht hebben
jij zou gejuicht hebben
hij zou gejuicht hebben
wij zouden gejuicht hebben
jullie zouden gejuicht hebben
zij zouden gejuicht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jij juich

← Conjugate another Dutch verb

Reji icon

Learn languages with Reji.

One-time purchase for a reasonable price.
No subscriptions, no hidden costs.

How about Android?

Reji's not available for Android yet. You can leave your email.
We'll let you know when it's available!

Let's stay in touch

Follow us on Twitter or Facebook to get bites of usefulness about language learning and Reji tips and tricks.